Extra informatie

1. Veiligheid en hygiëne

Het is heel menselijk dat het idee van iemand te beademen u tegen kan staan. Maar Hartpatiënten Nederland en uw instructeur Reanimatie gaan ervan uit, dat u bij het starten van deze cursus een bewuste keuze heeft gemaakt nu eens niet machteloos toe te hoeven kijken langs de zij- lijn. Dat u het verschil tussen leven en dood kunt betekenen.

Uit onderzoek is gebleken dat de meeste gevallen van rea- nimatie in huiselijke kring zijn. De patiënt en hulpverlener zijn bijvoorbeeld familie, huisgenoot of vriend van elkaar. Bemerkt u toch enige weerstand bij uzelf, veeg dan de mond van het slachtoffer af en beadem door een zakdoek of een slip van een overhemd of blouse. Beademing is niet onveilig. Er is geen besmettingsgevaar, zo blijkt uit onderzoek. Vermijd wel contact met bloed of lichaamsstoffen die bloed bevatten, bijvoorbeeld braaksel. Ook kan men bij mond-op-mond beademing gebruik maken van een beademingsmasker of faceshield, maar dit vereist goede oefening. Zorg er ook voor dat u het hulp- middel altijd bij de hand hebt, zodat u er niet naar hoeft te zoeken.

2. Mond-op-neus beademing

Soms is het beter mond-op-neus beademing toe te passen,bijv. als het niet goed mogelijk is goede aansluiting met het gezicht van het slachtoffer te krijgen.

U gaat dan als volgt te werk:

3. Stabiele zijIigging


U mag een slachtoffer in de stabiele zijligging leggen indien u ervan overtuigd bent dat het hier geen ongevalslachtoffer betreft. Het doel van de stabiele zijligging is dat het slachtoffer een vrije luchtweg heeft en eventueel braaksel uit de mond kan lopen. Het slachtoffer moet zelf vol- doende ademen.

Een slachtoffer legt u als volgt in de stabiele zijligging:

N.B. Draai het slachtoffer op zijn andere zij wanneer hij/zij langer dan 30 minuten op dezelfde kant in de stabiele zijligging heeft gelegen.

4. Alarmering

Het landelijke alarmtelefoonnummer is 1-1-2. Hoe werkt het? 1. U belt 1-1-2. Men neemt op en meldt zich met “1-1-2 centrale”. 2. Vertel waar en van wie u hulp moet hebben: politie, brandweer of ambulance. 3. Blijf aan de lijn; de centrale verbindt u direct door met politie, brandweer of ambulance in de betreffende plaats. 4. Vertel wie u bent, waar u bent en wat er aan de hand is. 5. Hang pas op als de centralist geen vragen meer heeft.

5. Omstanders

U kunt omstanders actief betrekken bij de hulp aan het slachtoffer. Wanneer u denkt hulp te kunnen gebruiken, spreek dan altijd iemand rechtstreeks aan. Hierdoor voelt deze zich ook aangesproken en medeverantwoordelijk gesteld. Meestal zal de persoon in kwestie luisteren en doen wat u vraagt.

Bijvoorbeeld:

6. Kleding van het slachtoffer

Om te kunnen reanimeren hoeft u niet alle kleding te verwijderen. Wel is het raadzaam boordenknoopjes en dikke jassen los te maken.

Andere kledingstukken zoals truien, T-shirts en bh's zitten reanimatie niet in de weg. U moet er alleen voor zorgen dat u de juiste massageplaats kunt bepalen.

7. De pols- en circulatiecontrole

Bent u geen professionele hulpverlener,dan is het moeilijk aan- of afwezigheid van polsslag of circulatie vast te stellen. Zaak is om een circulatiestilstand te herkennen.

Daarom geven de huidige richtlijnen de volgende definitie voor de diagnose ‘circulatiestilstand’: het slachtoffer reageert niet op voorzichtig schudden en aanroepen, en ademt niet normaal. Alleen professionele hulpverleners controleren de circula- tie als onderdeel van de reanimatie.

8. Wanneer wel en wanneer niet starten met reanimeren

Bij een ademstilstand moet zo snel mogelijk ingegrepen worden. Binnen vier minuten starten van een reanimatiepoging geeft de meeste kansen op succes. Wanneer u start tussen de vier en tien minuten nemen de kansen af, maar reanimeren kan nog steeds zinvol zijn.

Er zijn echter twee situaties waarbij reanimeren altijd zinvol is:

9. Eerste hulp bij verdrinking

Wanneer u iemand zelf uit het water moet halen denk dan altijd aan uw eigen veiligheid. Ga nooit het water in als u zelf niet naar de kant kunt komen maar zorg bijvoorbeeld voor een reddingslijn.

Verspil geen tijd met een poging het water uit de longen te laten lopen. Water dat in de longen terecht is gekomen, wordt vrij snel in de bloedbaan opgenomen: spontaan of door beademing. Water dat in de mond/keelholte zit kunt u verwijderen door het hoofd opzij te draaien.

Er zijn twee grote gevaren voor een drenkeling:

Bij het redden van een drenkeling proberen we met deze twee gevaren rekening te houden.

U gaat als volgt te werk:

N.B. Ondertussen moet voorkomen worden dat het slachtoffer aan wal nog meer afkoelt. Dit kunt u bij- voorbeeld doen door het slachtoffer toe te dekken.

10. Hartinfarct

Ook de cellen waaruit het hart is opgebouwd hebben zuurstof nodig om aan de slag te kunnen blijven. Het zuurstofrijke bloed wordt via de kransslagaders, die als “een krans” in de buitenwand van het hart lig- gen, aangevoerd.

Als zo'n kransslagader verstopt raakt, spreken we van een hartinfarct. De verstopping kan veroorzaakt worden door een bloedstolsel of door dichtslibbing (“aderverkalking”). De hartcellen die door deze slagader altijd hun portie zuur- stof kregen, zitten nu plotseling zonder en sterven af. Een complicatie hierbij kan zijn dat er een circulatiestil- stand optreedt, waardoor reanimatie noodzakelijk is. Zie illustratie 4.10. Symptomen die op een hartinfarct kunnen wijzen zijn:

N.B. Stekende pijn/pijnscheuten wijzen vaak op iets anders.